De Heren van Papendrecht
In de geschiedenis van de mensheid is huwelijkse trouw vaak een punt van twijfel. Zo ook in het geval van de Eerste Heer van Papendrecht, de illustere Dirk I van Brederode (van Teylingen). Samen met zijn broer Willem I van Teylingen, Heer van Oud Alblas, bezat hij rond 1244 grote gebieden van de Alblasserwaard en de Grote Waard. De twee gebroeders waren (vermoedelijk) ontsproten uit een enthousiaste relatie van vader graaf Willem I van Holland en de gewillige dochter van een ridder uit het geslacht Van Teylingen.
De broers werden tussen 1193 en 1203 geboren en voerden het wapen met de Hollandse leeuw met daarin een dwarsbalk. Aan deze afstamming hadden ze hun grafelijke titel te danken en natuurlijk een stevig stuk grond. Uiteraard was de houding van de samenleving ten opzichte van deze liefdes broertjes ongeveer net zo hypocriet als vaak ook nu nog. Erkennen was weliswaar mogelijk, maar het moest vooral niet te serieus worden. Opvolgen was dus uitgesloten. Maar de jongens mochten wel samen met de wettelijk erkende kinderen opgevoed worden. En dat was op zich nog niet zo’n slechte deal. Ze konden altijd nog naar een kloosterschool om kanunnik of zelfs bisschop te worden. Met veertien jaar mochten ze zich Jonker noemen en kregen ze meteen een eigen zwaard. In ieder geval werden ze meestal niet aan hun lot over gelaten. Sterker nog, de Brederode boys hadden weinig te klagen.
Dirk I groeide op aan het hof van Graaf Willem I van Holland. Bij het bereiken van de jaren des onderscheids promoveerde hij tot Drost/baljuw voor het Hof van Holland op het kasteel van Brederode in Santpoort bij Velzen. Aardige job, want een baljuw was belast met de rechtspraak in een bepaalde landstreek en dus een behoorlijk machtig man. Last van overmatige bescheidenheid had Dik niet want hij ging ook meteen op het kasteel wonen en noemde zich vanaf dat moment Dirk van Brederode. En het cadeautje van vader Willem I was trouwens niet misselijk.
De ‘Heerlijkheid van Brederode’ omvatte in die tijd een gebied dat reikte van Zandvoort tot Hillegom en omvatte ook grote gebieden van de Alblasserwaard en de Grote Waard. En voorwaar geen misselijk stukkie. Het was zo groot dat De Heer van Brederode vanaf Nieuwegein tot Alblasserdam alleen over eigen grond reed. Het kasteel van Brederode is trouwens één van de eerste gebouwen die, vanwege hun historische waarde, met gelden van het rijk zijn gerestaureerd. |

De Paap: de munt van 2 euro dat in het jubileumjaar van 2005 werd uitgegeven.
Die restauratie werd in 1862 aangevangen. Daarbij werd geheel naar de geest van de tijd gereconstrueerd naar de veronderstelde middeleeuwse situatie. Door gebrek aan geld en restauratievakkennis werden de werkzaamheden uitgevoerd op een manier waar nu nogal wat kritiek op is, maar Brederode staat tenminste nog. Ondanks de tekortkomingen van de reconstructie, die nu het onderhoud én het onderzoek wat lastig maken, heeft deze reconstructie wél geleid tot het behoud van de ruïne. Het kan tegenwoordig zelfs bezichtigd worden.
Willem I van Brederode, zoon van Dirk I, kreeg als Heer van Papendrecht in 1251 de halve tiende van het kapittel Sint Marie in Utrecht. Ook toen was het al stevig ‘voor wat, hoort wat’. Dus in 1260 zet Willem in Goudriaan, op een stukje grond dat hij daar nog heeft, met toestemming van de bisschop een kerk neer. Zo rond 1277 bezit Willem inmiddels zo ongeveer alles wat in de Waard het bezitten waard was. Daaronder uiteraard Papendrecht, de Vinkenpolder, Goudriaan, Hardinxveld en zo links en rechts nog een paar bunder. Giesse Nieuwkerk leende Willem van de Graaf van Holland. Die vond het daar misschien te nat. Ook aan de andere kant van de rivier, in de Grote Waard lagen nog een paar lapjes grond in de buurt van het toenmalige Houweningen. In 1281 gaat dan voor Willem I van Brederode het lampje uit en komt er ruimte voor een opvolger.
Dirk II, Derde Heer van Brederode, treedt daarna in 1285 in de voetsporen van pa. Erg inventief was men in die tijd met namen nog niet, en zo bleef het een beetje herkenbaar. Vermoedelijk overigens geen onaardige vent gezien zijn bijnaam ‘De Goede’. Dik II deed er nog wel wat voor, want hij was bevelhebber in het leger van Graaf Floris de Vijfde. Bovendien werd hij lid van het door de Graaf opgerichte Sint Jacob’s broederschap. In 1318 vond Dirk het nodig om op bedevaart te gaan, maar dat had hij misschien beter niet kunnen doen. Het bekwam hem slecht want in dat jaar stierf hij in Reims, toen hij van die bedevaart terug kwam. Nou was hij ongeveer 66 jaar toen hij overleed, voorwaar voor die tijd geen verkeerde leeftijd. En tot 21 juli 1679 blijft er voor de familie van Brederode nog genoeg te beleven, zoals uit de verdere geschiedenis zal blijken.
|