Alles over Papendrecht...

Van Dijkbodes en Aannemers

- 900 jaar geschiedenis aan den dijk
- Ruzie om land
- Strijd tegen water
- De polder wordt verkaveld
- 1400 tot 1500: Papendrecht overleeft

- De Heren van Papendrecht

- Huis te Papendrecht
- Van Dijkbodes en Aannemers / Wielen en Walen
- Scheepsbouw / Buiten de Dijk

 

Van Dijkbodes en Aannemers

Papendrechters hebben in de loop der eeuwen al vele malen natte voeten gehaald. Maar dat is niet omdat er niets gedaan werd tegen de eeuwige tegenstander, het water. Nadat zo tussen 100 en 1250 de polder een beetje bruikbaar werd, begon ook het besef te groeien dat onderhoud een onvermijdelijke zaak was. Een fatsoenlijke afwatering, dijkjes en dijken die het hielden ook bij stevig weer en dat soort zaken. En vooral, mensen die zouden vertellen hoe dat gedaan moest worden. En jawel, het bestuur was geboren. In de vorm van het roemruchte Hoogheemraadschap. Een bestuur dat bestond uit een Dijkgraaf en dertien heemraden. Zij waren verantwoordelijk voor het onderhoud van de dijken. Iedere polder had natuurlijk zijn eigen bestuur dat werd aangesteld door de Ambachtsheer. En het bleek een hardnekkige structuur te zijn, want de polderbesturen bleven tot 1973 bestaan.

Bestuur
In de loop der eeuwen is er weinig nieuws onder de zon als het gaat om besturen. In dit geval werden regels vastgelegd door het Dijkcollege, maar het lag voor de hand dat dingen dan ook gedaan moesten worden zoals in die regels stond. Net zoiets als stoplichten. Hebben weinig nut als je er niet voor stopt. En zo ontstond de Dijkbode. Een soort ‘gezworen’ polderdiender in dienst van het dijkcollege. Machtige jongen want hij had de bevoegdheid van zowel deurwaarder als veldwachter. En in die tijd had men daar nog wel respect voor.

In de Alblasserwaard waren er twee. Eén in Papendrecht en één in Ameide. Samen verdeelden die twee de koek in de Waard. Als teken van hun waardigheid hing er een grote bus om hun nek. En geen misselijke bus. Die diende dan ook niet alleen voor de sier. In die bus werden de belangrijke stukken geborgen die afgeleverd moesten worden. Op die bus zat een schild waaraan men kon zien waar de bode vandaan kwam. Soms waren die dingen zelfs van zilver gemaakt. De bus van Lekkerland leeft nog steeds en is nog altijd in bezit van de familie de Leeuw. Het ding werd in 1791 gemaakt voor vermoedelijk Teunis de Leeuw door een zilversmid in Gouda, die waarschijnlijk blij was dat hij geen verstand van kaasmaken had.

In Papendrecht bleef het dijkbodeschap gedurende tweehonderdvijftig jaar in handen van de familie Wapperom. Uit dit geslacht kwam in 1811 zelfs de eerste, en met zijn 26 jaar vermoedelijk ook de jongste, burgemeester van Papendrecht voort. Bovendien stelde deze eersteling waarschijnlijk nòg een record, want hij bleef vijfenveertig jaar burgemeester. De dijkbode was verantwoordelijk voor de controle over de dijkgedeelten die onder zijn bevoegdheid vielen. Een belangrijk onderdeel van de controle was natuurlijk de staat van onderhoud van de Dijk, dit ter voorkoming van nog meer natte voeten.


De dijkdoorbraak in 1953 op de Noordhoek

Het doorbreken van de dijk had in de loop der tijd bijvoorbeeld ook voor de karakteristieke plassen en poelen direct achter de dijk gezorgd.

Wielen of Walen
In de Alblasserwaard worden die plassen Wielen of Walen genoemd. Papendrecht had er ooit negen, maar daar zijn er nu nog vier van over. De grootste werd gemakshalve de Grote Waal genoemd en ligt aan de Vissersbuurt. Die waal ontstond in 1570 na de Allerheiligenvloed van 1 november. Later hebben ze daar de poten van de brug maar ingezet omdat ze die nergens anders kwijt konden. En die Waal was trouwens vroeger nog groter.

In 1953 dreigde de dijk daar door te breken en om dat te voorkomen werd een forse lading zand in de grote Waal gestort en werd de dijk aan de binnenkant versterkt. In andere gevallen werden die wielen overigens met opzet in stand gehouden en niet alleen omdat ze mooi waren. In het verre verleden werd na een dijkdoorbraak, nadat het water gezakt was, vaak met opzet de dijk doorgestoken bij op een laag punt in de polder. Zo kon dan het water weer uit de polder terug in de rivier gelaten worden. Een van de eerste keren dat ze dat deden zou in 1573 geweest zijn.

Er is een verhaal dat toen na 18 januari zogenaamde hulpgaten werden gemaakt bij ‘Waaltje aan het Oosteind en het Noordhoekse Wiel.Na al die jaren overstromen, dijken breken, dijken weer dichten, dijken doorsteken, dijken weer dichten, begonnen sommige landeigenaren stevig te balen van dat schijnbaar onbegonnen werk. Soms kon of wilde men die kosten en de energie niet meer opbrengen en gaf men er de brui aan. Alleen noemde men dat toen ‘zijn land laten drijven’ of ‘de spade steken’. Zelfs onze zo geroemde Willem van Brederode werd het een keer zat en gaf ooit in 1420 zelf ook de pijp aan Maarten en ‘stak de spade’. “Want ick dieselve niet gedijcken can”, verzuchtte Willem. Al dit gegraaf en gespit had ook nog een ander gevolg. De Papendrechters raakten tegen wil en dank tamelijk bedreven in dat grondwerk.

Langzaam maar zeker begon zich een ‘kaste’ van grondwerkers, griendwerkers, plaggensnijders en wat dies meer zij te ontwikkelen. Het rijshout deed halverwege de vijftiende eeuw zijn intrede als versteviging van dijklichamen. Dat spul groeide zat langs de rivier en was dus makkelijk voorhanden. Je moest het alleen nog even snijden. Het product werd zo belangrijk dat zelfs Koning Maximilliaan van Oostenrijk dicteerde dat het rijshout in Dordrecht moest blijven. Waar bemoeit zo’n man zich mee, zou je zeggen. Maar het is mede de redding van de Waard gebleken. En de Papendrechters, zij ploegden voort. Maar dan wel op hun eigen manier. Ze groeven, ze sneden, ze bouwden en ze schepten. En al doende leert men. Ongemerkt ontwikkelde zich een nieuwe tak van industrie. De weg en waterbouw aannemerij was geboren. En die leeft nog steeds.

Vorige Volgende